Q&A watersysteemanalyse Gooi- en Eemmeer

Dank voor de vraag. Je ziet inderdaad dat de begrippen door elkaar gebruikt worden en tot verwarring kunnen leiden. In de legenda van de figuren staat het juist. Er wordt gedoeld op de zomergemiddelde totaal P concentraties in mg/l, ook wel fosfaat totaal. Fosfaat maakt hier onderdeel vanuit.

De verbeterde lichtomstandigheden worden toegeschreven aan meerdere factoren: daling van de nutriëntenconcentraties, toename van het mosselbestand, en een klein aandeel overige herstelmaatregelen zoals enkele inrichtingsmaatregelen.

De onderwaterecologie (waterplanten) hebben hiervan kunnen profiteren wat wederom een effect heeft op het doorzicht. De daling van de fosfaatconcentraties specifiek in de periode 1985 – 1995 heeft dus mede bijgedragen.

Het versterken van het gebied recreatief en ecologisch is een belangrijke wens. Ecologie en recreatie kunnen hierbij hand in hand gaan. Maatregelen ter versterking van de ecologie zijn tevens versterkend voor recreatie. Er is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om met gebiedspartners te zorgen dat het randmeren gebied aantrekkelijk blijft.  Wat betreft de Randmeren bestond het idee (KRW, Natura2000) dat met optimalisatie van het beheer de doelstellingen behaald kunnen worden. Die conclusie is na dit rapport niet langer houdbaar. Er zijn maatregelen nodig om de robuustheid van het systeem te vergroten.

De richting voor een langere termijn oplossing is in het rapport gegeven. Het gaat om het verlagen van de nutriëntenconcentratie in samenspel met inrichtingsmaatregelen. Diepte en strijklengte van de meren zijn belangrijk om robuustheid op te bouwen. Inrichtingsmaatregelen kunnen helpen om de robuustheid te vergroten. Vergelijkbaar met programma’s voor Markermeer en IJmeer zou gedacht kunnen worden een PAGW project in de Zuidelijke Randmeren en de Eemdelta, met een combinatie van inrichting én nutriëntenverlaging.

 

 

 

De kansenkaart is nog niet ‘rijp’ voor publicatie. Witteveen en Bos heeft heel globaal gekeken op welke locatie een pilot gedaan zou kunnen worden, zonder de robuustheid van het systeem in gevaar te brengen.

Er is een grootschalige aanpak nodig voor een structurele oplossing van de waterplanten-problematiek, namelijk het verminderen van de nutriëntenbelasting en een andere inrichting van de meren. De coöperatie richt zich als eerste op de mogelijkheden om met gebiedspartners hierin een 1e stap te zetten. Later in de tijd kan via een pilot aanvullend onderzoek worden gedaan, om antwoord te krijgen op een specifieke onderzoeksvraag. Dan kan de 1e kansenkaart - onder begeleiding van Witteveen & Bos - verder worden uitgewerkt.

Gezien de onstabiele toestand van het systeem en gekeken naar de doelstellingen vanuit KRW en Natura2000 moet een pilot een gering risico-profiel hebben. Witteveen en Bos heeft een aantal randvoorwaarden opgesteld, waarmee het risico en het effect van een kleinschalige pilot op het grote systeem zeer gering is. Wanneer aan de randvoorwaarden wordt voldaan, moet nader onderzoek binnen de doelstellingen van KRW en Natura2000 mogelijk zijn. Een vergunningverlener zal dit ook toetsen voor vergunning wordt verleend voor een pilot.

Een helofytenfilter (een zandfilter dat met behulp van bepaalde planten ('helofyten') water zuivert) is voor het oplossen van de gehele problematiek helaas geen optie. De nutriëntenvracht is dermate hoog dat een natuurlijk rietmoeras een te groot oppervlak moet hebben om de nutriëntenvracht omlaag te brengen. Moerassen kunnen echter wel helpen in het vergroten van de robuustheid van het systeem.

Gooi- en Eemmeer worden vaak samen genoemd, maar functioneren als systeem heel verschillend. Eén van de parameters in het onderzoek is de verblijftijd van het water en het effect van de verblijftijd op de stoffen in het water. Deze specifieke kenmerken zijn meegewogen in de analyse.

Bij het Gooimeer is dus rekening gehouden met genoemde effecten. Voor het Gooimeer zijn de parameters anders dan voor het Eemmeer en er komt voor het Gooimeer met betrekking tot de robuustheid dan ook andere informatie uit dan voor het Eemmeer.

In het rapport is aan dit onderwerp aandacht besteedt. Expert Michiel Verhofstad, gepromoveerd op het onderwerp waterplanten, is één van de experts die vanuit Floron i.s.m. Radboud Universiteit , heeft meegedacht in deze studie.

Aan Michiel Verhofstad is gevraagd welke ontwikkelingen te verwachten zijn en of een toename / groei van kranswieren verwacht mag worden. In het Gooimeer groeit al wel kranswier, in het Eemmeer niet. Door Deltares zijn in het verleden proeven gedaan om te kijken of de groei van kranswieren in het Eemmeer gestimuleerd kan worden, maar helaas was het antwoord nee.

Dit lijkt vooral te maken te hebben met de bodemsamenstelling die in het Gooimeer anders is dan in het Eemmeer. In het rapport doet Witteveen en Bos de aanbeveling om de mogelijke groei van kranswier in het Eemmeer kleinschalig te onderzoeken aan de hand van een lab-experiment. Als uit het lab-experiment blijkt dat de bodemcondities de groei in de weg staan, dan is de conclusie van Witteveen en Bos dat het heel lastig zal zijn om de kranswieren tot groei te laten komen. Witteveen en Bos vraagt zich, zeker in Eemmeer maar ook in Gooimeer af, of er zonder andere structurele maatregelen en grote potentie is voor de groei van  kranswieren.

De quaggamossel is een soort die niet van nature in de randmeren voor komt. Het is een bekend verschijnsel dat als een exoot zijn intrek neemt in een gebied, de dichtheid eerst  toeneemt (onbeperkte groeimogelijkheden, geen natuurlijke vijand) en dat na verloop van tijd de piek afneemt (ziekte, predatie, etc).

Het instorten van een mosselpopulatie is een natuurlijk en bekend verschijnsel. Met maatregelen kan de populatie door bijvoorbeeld introductie tijdelijk vergroot worden. Indien er echter niets aan de omstandigheden verandert is het aannemelijk dat dit effect echter van korte duur is.

Gooi- en Eemmeer vormen o.a. door de voedselrijkheid een productief systeem waar planten van profiteren. Om het probleem structureel aan te pakken is het vooral belangrijk om aan de nutriëntenknop te gaan draaien. Nutriënten zijn afkomstig uit het stroomgebied van de Eem (RWZI, landbouw, afspoeling verhard oppervlak, etc)

De analyse (water- en stoffenbalansen)  laat zien dat afspoeling en uitspoeling uit landbouwpercelen de grootste bijdrage levert aan de nutriëntenbelasting. Het omlaag brengen van de nutriëntenlast is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van onder andere het Rijk, provincies, waterschappen en de landbouwsector. Dat is een complex en langjarig proces. Het draaien aan de nutriënten-knop is dus geen quickfix.

In dit verband is het interessant hoe de landelijke discussies over stikstof, kringlooplandbouw, vitale bodem en de droogtediscussie zich gaan ontwikkelen. Er is een trend richting meer bewustwording van het versterken van het natuurlijk systeem in de landbouw. Als die ontwikkelingen ten gunste zijn van af- en uitspoeling op het Eemmeer, dan is dat een vehikel om de kwaliteit van het Gooi- en Eemmeer te verbeteren.

Naast aan het draaien van de nutriëntenknop is versterking van het natuurlijk ecosysteem door herinrichting denkbaar. Dit is echter alleen effectief in combinatie met nutriëntenreductie.

Het rapport wijst uit dat we voorzichtig moeten zijn met ingrepen in het systeem. Het systeem staat onder druk en maaien legt extra druk op het systeem. Er zit echter ook een soort ‘feedback’ mechanisme in. Op het moment dat het slecht(er) gaat met het systeem, gaat het ook minder goed met de waterplanten en hoef je minder te maaien om overlast te verminderen. Voor de directe beheermaatregelen zoals maaien is het raadzaam om de maaiactiviteiten niet uit te breiden.

Cookie-instellingen